Duiding ODV in vermogensopstelling

Datum: 07-03-2018 In: Ondernemen

Op grond van art. 38n, lid 2, Wet LB 1964 kan een pensioenregeling in eigen beheer tot 1 januari 2020 worden omgezet in een oudedagsverplichting[1] (ODV). Hoe de ODV te duiden binnen de vermogensopstelling van de privé positie van de DGA werk ik uit in dit artikel.

 

Als voorbeeld geldt deze balans op commerciële grondslagen van de BV waarin de pensioenregeling in eigen beheer wordt gehouden:

Activa Passiva
Beleggingen 300.000 Aandelenkapitaal   18.151
Bank 300.000 Winstreserve -918.151
Pensioenverplichting 1.500.000
Totaal 600.000 Totaal 600.000

 

De bijbehorende privé positie van de DGA luidt als volgt:

Activa
Woonhuis 800.000
Banksaldi 100.000
Roerende goederen 80.000
Aandelen BV -900.000
Passiva
Hypothecaire lening -450.000
Totaal -370.000

 

Zichtbaar is hoe de negatieve winstreserve van de BV de waarde van de aandelen sterk negatief maakt en hoe dit doorwerkt naar de waarde van de totale privé positie[2].

 

Van pensioen naar ODV

De fiscale waarde die hoort bij de pensioenverplichting bedraagt € 500.000. Na omzetting van de pensioenregeling in eigen beheer naar de ODV ziet de balans er van de BV als volgt uit:

Activa Passiva
Beleggingen 300.000 AK      18.151
Bank 300.000 Winstreserve 81.849
ODV 500.000
Totaal 600.000 Totaal    600.000

 

Voor de privé positie van de DGA betekent dit het volgende:

Activa
Woonhuis 800.000
Banksaldi 100.000
Roerende goederen 80.000
Aandelen BV          79.538
ODV 500.000
Passiva
Hypothecaire lening -450.000
IB latentie ODV[3] -210.000
Totaal 899.538

De stelligheid van de uitkeringen

Door de afstempeling van de commerciële waarde naar de fiscale waarde zonder enige heffing ontstaat een positieve waarde van de aandelen van de BV. Wat echter het meeste opvalt, is dat de aanspraak op de periodieke uitkeringen terugkomt in de privé positie waar dat niet aan de orde was toen er nog sprake was van een pensioenaanspraak. Dit verschil wordt veroorzaakt door de stelligheid van de uitkeringen uit hoofde van de ODV. Zolang er erfgenamen zijn, zal er worden uitgekeerd. [4]

Het is deze stelligheid waardoor vanuit vermogensrechtelijk perspectief een voorwaardelijk vorderingsrecht, zoals een pensioenaanspraak volgens de Hoge Raad[5] mag worden aangemerkt, is omgevormd in een vorderingsrecht dat aan de DGA en diens erfgenamen toekomt, waardoor de waarde van de ODV onderdeel dient te zijn van de privé positie van de DGA[6].

 

[1] art.38p Wet op de loonbelasting 1964

[2] Met verrekeneffecten van een verlies uit aanmerkelijk belang is gemakshalve geen rekening gehouden.

[3] Er is rekening gehouden met een belastinglatentie van 42%.

[4] Er is geen rekening gehouden met een situatie dat de middelen van de BV onvoldoende kunnen zijn.

[5] NJ 1982, 503 HR, 27-11-1981, nr. 11708 Boon Van Loon

[6] Voor de eenvoud zijn relatievermogensrechtelijke aspecten tussen DGA en partner achterwege gelaten